Een wetenschapper (Duits:Wissenschaftler) is een onderzoeker of geleerde die veelal gestudeerd heeft aan een universiteit of andere instelling voor hoger wetenschappelijk onderwijs en als beroep een wetenschap beoefent.
In het werk van de wetenschapper kan men een onderscheid maken tussen wetenschappelijk onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Dit laatste kan betaald worden door de overheid of door anderen, meestal het bedrijfsleven.[1] Deze wetenschapsbeoefening als beroep is pas in de loop van de 19de eeuw ontstaan, toen wetenschap en techniek opkwamen en maatschappij en wetenschap en techniek elkaar wederzijds sterk gingen beïnvloedden. Maar vooral sinds 1945 is dit proces versneld en in omvang toegenomen.[1]
Inhoud |
De wetenschapper wordt in het woordenboek tegenwoordig veelal kortweg beschreven als:
Nog enige decennia geleden beschouwde men het begrip "wetenschapper" als een barbarisme van het Duitse Wissenschaftler. Het begrip wetenschapper is in het Nederlands pas sinds de jaren zestig in gebruik. Voordien sprak men van wetenschapsman, wetenschapsvrouw, wetenschapsmens, wetenschapsbeoefenaar en "wetenschappelijke ambtenaar". Ook sprak men van wetenschapslui of wetenschapslieden, maar dit wordt tegenwoordig als denigrerend aangevoeld. Andere gebruikelijke omschrijvingen zijn onderzoeker, wetenschappelijk onderzoeker, geleerde, naast de vanzelfsprekende functienaam hoogleraar en titels als "professor", "doctor" en "doctorandus". Beoefenaren van wetenschap spreken zelf meestal niet van "wetenschappers".
Wetenschap is een activiteit; zij houdt zich volgens Bergsma (2004) bezig met meten, registreren, waarnemen, en experimenteren, ordenen en interpreteren, begripsvorming en verwoording, afleiding en voorspellen, hypothesevorming en -toetsing, evaluatie en planning. Verder is publicatie en presentatie van resultaten essentieel. Wetenschap in deze zin heet ook wel wetenschapsbeoefening.[5]
Volgens Abraham Maslow kunnen in het werk van de wetenschapper op zijn minst de volgende negen functies worden onderscheiden:[6]
Deze vele functies noodzaken een arbeidsverdeling, want weinig individuen zouden al deze vaardigheden in zich kunnen verenigen.[6]
Vanaf de opkomst van de eerste beschaving is er altijd een rol weggelegd geweest voor geleerden. Het gespecialiseerde beroep van wetenschapper is echter pas in de 19de eeuw ontstaan.
Astronomie werd reeds beoefend in het oude Babylon door priesters van de profeet Zoroaster. Recent onderzoek van Babylonische geschriften laat zien dat hun waarnemingen en berekeningen bijzonder nauwkeurig waren. Ook de Egyptenaren hechtten grote waarde aan astronomische waarnemingen.
De oude Keltische beschaving in Europa kende een priesterstand van druïdes, die in een groot deel van West-Europa ten noorden van de Alpen en op de Britse Eilanden bestond. Pas eerst door de Romeinse overheid, en later door het Christendom werd ze verdrongen. De praktijken van druïden maakten deel uit van de cultuur van alle Keltische en Gallische volksstammen. In de druïden verenigden zich de taken van priester, bemiddelaar, arts, wetenschapper en rechter. Het is de vraag of men bij druïden van wetenschap kan spreken.
Sinds de zevende eeuw v.Chr. kwamen er zowel in de Westerse wereld, bijvoorbeeld Thales van Milete en Pythagoras, als in die van het oosten, bijvoorbeeld Gautama Boeddha en Confucius de eerste filosofen op. Alleen bij Thales en Pythagoras kan men spreken van wetenschap.
In de Analytica Posteriora' (Latijnse vertaling) beschrijft Aristoteles (384-322 v.Chr.) voor het eerst een theorie van het leveren van een bewijs, in het kader van kennisverwerving en wetenschapsbeoefening. Voor een bewijs dient men uit te gaan van een beginselen die door onderzoek van de ervaring kunnen worden opgespoord. Uit de werkelijkheid die zich aan ons voordoet kan door inductie en abstractie het algemene en principiële worden opgespoord.[7]
Wetenschap, en vooral meetkunde en astronomie, was voor de meeste middeleeuwse geleerden rechtstreeks verbonden met het goddelijke en dus met theologie. Omdat God de wereld had geschapen naar meetkundige en harmonische beginselen betekende het onderzoek hiernaar tevens zoeken en aanbidden van God. Met de wetenschap in de Middeleeuwen wordt de wetenschap bedoeld in de traditionele middenperiode in de schematische indeling van de Europese geschiedenis.
Met de opkomst van de eerste middeleeuwse universiteiten in Europese ontstond aan de universiteiten het beroep van geleerde. Deze eerste universiteiten werden opgericht naar voorbeeld van die van Córdoba, in 1088 in Italië in Bologna, en in Frankrijk in Montpellier voor de studie van rechten, medicijnen en theologie. In 1409 werd de universiteit van Aix-en-Provence gesticht door Lodewijk II van Anjou. Al snel werden er universiteiten opgericht in Engeland en Midden- en Oost-Europa. Later volgde ook Scandinavië.
In de 17e eeuw heeft het centrum van wetenschapsbeoefening zich van Italië naar Noord-Europa verplaatst.
Het Engelse begrip "scientist" schijnt door William Whewell bedacht te zijn 1833.[8] Hiervoor noemde men wetenschappers natuurfilosofen of "men of science".
Onder de Wetenschappelijke revolutie worden volgens Schneiders (1992) meestal alleen de nieuwe inzichten, vruchten van de nieuwe wetenschapsbeoefening verstaan. In werkelijkheid bestond deze tevens uit de doelbewuste organisatie van de wetenschapsbeoefening (genootschappen zoals de Royal Society), een nieuwe methodiek (Descartes), een nieuw instrumentarium (bijvoorbeeld lenzen voor microscopen en telescopen) en tenslotte de nieuwe vorm van wetenschappelijke communicatie door middel van het tijdschrift.[9]
Vroegere eeuwen kenden volgens Witte (1963) wel geleerden, die wetenschap bedreven uit pure kennisdrang en als vrijetijds besteding. Slechts een aantal amateurs, te onderscheiden van geleerden, beoefenden soms wetenschap met praktische oogmerken. Voor beide groepen was wetenschap geen bron van inkomsten. Pas in de loop van de 19de eeuw werd de praktische gerichtheid belangrijker en kreeg de wetenschapsbeoefening een beroepsmatiger karakter.[10].
De beroepsgroep van wetenschappers is heel divers. Vele wetenschappers werken voor een specifieke organisatie. Het aantal soorten wetenschappers kan worden onderverdeeld naar drie criteria: specialisatie, functie of arbeidsplaats, type organisatie en geografische origine.
Er zijn vele soorten gespecialiseerde wetenschappers, die benoemd worden naar het specifieke veld van hun expertise, maar vaak ook naar de specifieke leerstoel, waarbij zij betrokken zijn. De indeling is net zo complex als de indeling van de wetenschap zelf.
Een typische Nederlandse indeling is van de wetenschappen is de indeling in Alfa-, Bèta- en Gamma- wetenschappen. Tot de Alfa-wetenschappers rekent men bv de filosofen, geschiedkundigen of historici, taalkundigen, en theologen of godgeleerden. Tot de Beta-wetenschappers rekent men astronomen of sterrenkundigen, biologen, geologen of bodemkundigen, natuurkundigen of fysici, scheikundigen of chemici en wiskundigen of mathematici. En tot de Gamma-wetenschappen rekent men antropologen, economen, geografen of aardrijkskundigen, psychologen en sociologen.
Een andere indeling is in natuurwetenschappers, sociale wetenschappers, geesteswetenschappers, enzovoorts. Binnen de natuurwetenschappers kun je onderscheid maken in bijvoorbeeld astronomen, biologen, ecologen, natuurkundigen, scheikundigen. Binnen alle vakdisciplines heb je weer allerlei specialismes. Het wetenschappelijke bibliotheek-wezen hanteert verder als indeling van wetenschapsgebieden de Nederlandse Basisclassificatie, waarmee tevens overeenkomstige soorten wetenschappers zijn te onderscheiden.
Het beroep van wetenschapper kent verschillende functies:
Meer soorten organisaties zijn betrokken bij de wetenschapsontwikkeling
Wetenschappers zijn verder nog onder te verdelen naar nationaliteit, regio of plaats van geboorte of universiteitsstad of universiteit, waar ze werkzaam zijn.
Academische vrijheid is het beginsel dat docenten en onderzoekers aan een universiteit, een zeer grote vrijheid moeten genieten om onderzoek te verrichten en om hun mening te uiten in de uitoefening van hun functies. Dit is in het belang van de ontwikkeling van kennis.
Een wetenschappelijk genootschap is een organisatie die als doel heeft de wetenschappelijke belangen van de leden te bevorderen. Een nevendoel kan zijn om een wetenschappelijke discipline te promoten en de kennis erover te verspreiden en populariseren. Voorbeelden in Nederland zijn de Nederlandse Natuurkundige Vereniging en het Wiskundig Genootschap.
De Vakbond voor de wetenschap (VAWO) is de vakorganisatie voor personeel van universiteiten, onderzoeksinstellingen en universitair medische centra. De VAWO werd in 1963 opgericht door wetenschappelijk medewerkers die meer zeggenschap wilden over het wetenschappelijk proces en hun eigen werksituatie. Toen en nu wordt het leeuwendeel van het wetenschappelijk onderzoek en steeds meer onderwijs, door promovendi en postdocs, mensen met een tijdelijke aanstelling die weinig invloed kunnen uitoefenen op het beleid van de instelling waarvoor zij werken en op hun eigen positie. Verbetering van het perspectief voor deze grote groep werknemers is voor de VAWO een topprioriteit.
Iedereen die succesvol een opleiding heeft afgerond in het hoger onderwijs is gerechtigd tot het voeren van een academische titel in de eigen naam. De titels worden verkregen van rechtswege en iemand mag de titel alleen voeren indien men deze daadwerkelijk heeft gekregen. Het ten onrechte voeren ervan is strafbaar. De afgekorte titel wordt voor de naam gevoerd. Uitzondering hierop zijn de oude, nu nog Belgische universitaire titels van cand. en bacc. die achter de naam gevoerd worden. Bij wet is voorgeschreven bij welke opleiding welke titels behoren.
Zie verder ook:
Zie ook:
Het meeste wetenschappelijk onderzoek wordt uitgevoerd door promovendi en postdocs met een tijdelijke aanstelling bij een wetenschappelijke instelling. Ook verzorgen zij een groot deel van het onderwijs aan universiteiten, hoewel dat hun taak niet is. De vakbond VAWO klaagt over hun zwakke arbeidsrechtelijke positie.[11]
De promotie in academische zin is het behalen van de academische graad van doctor door het schrijven en publiekelijk verdedigen van een proefschrift, al dan niet met stellingen aan een universiteit, onder supervisie van een hoogleraar die als promotor optreedt. Degene die gaat promoveren wordt in Nederland een promovendus en in Vlaanderen een doctorandus genoemd. De zogenaamde copromotor verzorgt de dagelijkse begeleiding van het onderzoek. Vaak is er een begeleidingscommissie van hoogleraren die het proefschrift beoordelen.
De Nederlandse wikipedia biedt verder de volgende lijsten van wetenschappers:
| Wikiquote heeft een collectie citaten gerelateerd aan Wetenschapper. |