Russische literatuur omvat alle in het Russisch geschreven teksten waaraan literaire waarde wordt toegekend.
Inhoud |
De Russische literatuur heeft vaak geleden onder censuur. Regelmatig werden schrijvers die in ongenade waren gevallen bij de autoriteiten verbannen naar Siberië of zelfs terechtgesteld.
Ten tijde van Catharina de Grote heerste er zware censuur. Een aantal maatschappijkritische toneelschrijvers werd gearresteerd. Alleen Denis Fonvizin was zo populair bij het publiek dat hij een redelijke mate van vrijheid genoot. De literatuur uit deze periode is tegenwoordig moeilijk te lezen, omdat het taalgebruik vaak ingewikkeld is. Bovendien stond het taalgebruik destijds onder invloed van het Kerkslavisch.
De 19de eeuw wordt traditioneel aangemerkt als de gouden eeuw van de Russische literatuur. De Romantiek bracht grote namen als Vasili Zjoekovski en Aleksandr Poesjkin voort. Met de komst van Aleksandr Poesjkin verandert de Russische literatuur ingrijpend. De lichtvoetige stijl van Poesjkin inspireerde andere schrijvers en dichters zoals Michail Lermontov, Jevgeni Baratinski, Konstantin Batjoesjkov, Nikolaj Nekrasov, Aleksej Tolstoj, Fjodor Tjoettsjev en Afanasi Fet. Een gouden tijd breekt aan voor de Russische literatuur. Na de dood van Lermontov wordt de censuur duidelijk minder. De Russische schrijvers breken ook in het westen door met hun werken. Romans van Leo Tolstoj, Fjodor Dostojevski, Anton Tsjechov, Ivan Toergenjev en Nikolaj Gogol worden wereldberoemd.
In 1890 begon een nieuwe bloeiperiode van de Russische literatuur, met name de dichtkunst. Het symbolisme wees voor veel Russen niet alleen nieuwe literaire mogelijkheden aan, maar ook een spirituele richting. De kunst werd gezien als een weg die de schrijvers de mogelijkheid gaf voorbij de ethiek naar het religieuze te reiken. Bekende dichters uit deze periode zijn Vladimir Solovjov en de acmeïsten Nikolaj Goemiljov, Anna Achmatova en Osip Mandelstam. In dezelfde tijd schrijven Anton Tsjechov en Ivan Boenin klassiek geworden proza.
Het begin van de 20ste eeuw staat bekend als de Russische ‘zilveren eeuw’ , met bekende dichters als Aleksandr Blok, Sergej Jesenin, Valeri Brjoesov, Konstantin Balmont, Michail Koezmin, Igor Severjanin, Sasja Tsjerni, Nikolaj Goemiljov, Maximilian Volosjin, Innokenti Annenski, Zinaida Hippius. De vaandeldragers van deze ‘zilveren eeuw’ zijn echter de al eerder genoemde Anna Achmatova en Osip Mandelstam, en verder Marina Tsvetajeva en Boris Pasternak. Hoewel de ‘zilveren eeuw’ gezien werd als een ontwikkeling komend uit de 19de eeuw, waren er toch enige avantgarde-dichters die haar omver wilden werpen, zoals bijvoorbeeld Velimir Chlebnikov, David Boerljoek, Aleksej Kroetsjonych and Vladimir Majakovski. Ondanks dat de ‘zilveren eeuw’ vooral beroemd is door haar dichters, zijn er toch ook wel enige grote proza-schrijvers aan te wijzen, zoals: Aleksandr Koeprin (schrijver), Nobelprijswinnaar Ivan Boenin, Leonid Andrejev, Fjodor Sologoeb, Alexei Remizov, Jevgeni Zamjatin, Dmitri Merezjkovski en Andrej Bely.
Na de Russische Revolutie (1917) nam de censuur weer sterk toe. Alleen de socialistisch-realistische stijl kende genade in de ogen van het schrijversgilde. Veel schrijvers emigreerden naar het buitenland, waaronder bekende schrijvers als Vladimir Nabokov en Ivan Boenin. Andere schrijvers zijn minder gelukkig. Schrijvers als Michail Boelgakov, Isaak Babel, Boris Pasternak en Aleksandr Solzjenitsyn hadden geen enkele hoop dat hun werk ooit uitgegeven kan worden in de Sovjet-Unie. Door hun werken via vrienden naar het Westen te smokkelen, konden ze daar uitgegeven worden. Toen Pasternak de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg voor Dr. Zjivago, werd hij gechanteerd met bedreigingen aan het adres van zijn familie om deze te weigeren. Het sovjetbewind beschouwde het als een belediging dat een dissident de Nobelprijs kreeg.
De eerste jaren van het Sovjetregime kenmerkten zich door de opkomst van de avant-gardisten. Eén van de belangrijkste groepen is de Oberiu-beweging, waaraan onder andere Nikolaj Zabolotski, Aleksandr Vvedenski, Konstantin Vaginov en Daniil Charms, de beroemdste Russische absurdist, deelnamen. Andere beroemde, met taal experimenterende auteurs zijn Michail Boelgakov, Ilja Ilf en Jevgeni Petrov, Andrej Platonov, Joeri Oljesja en Isaak Babel.
Een andere spraakmakend literair genootschap in de jaren twintig waren de Serapionbroeders. Zij zagen het kunstwerk als autonoom, een realiteit op zichzelf. Het gaat om de verbeelding, om oprechtheid. Literair engagement wordt niet erkend. Ieder lid houdt zijn eigen denkbeelden. Tot de Serapions behoorden onder andere Konstantin Fedin (1892-1977), Nikolai Tichonov (1896-1979), Viktor Sjklovski (1893-1984) en Michail Zosjtsjenko (1895-1958).
De Sovjetisering drong als snel door tot de literatuur; het socialistisch realisme werd de enige nog toegestane literatuurstijl. De novelleschrijvers Maksim Gorki, de Nobelprijswinnaar Michail Sjolochov en Aleksej Nikolajevitsj Tolstoj, alsmede de dichters Konstantin Simonov en Aleksandr Tvardovski zijn de bekendste vertegenwoordigers van deze stijl. Eigenlijk waren er maar een paar schrijvers die nog konden publiceren zonder de verstikkende regels van het opgelegde socialistisch realisme, waaronder Ilf en Petrov. Veel schrijvers weigerden zich neer te leggen bij de regels van het regime en gingen door in de klassieke traditie van de Russische literatuur, hoewel dat betekende dat ze niet meer op publicatie konden hopen. In deze context moeten we denken aan Michail Boelgakov, auteur van Meester en Margarita, en Boris Pasternak, de schrijver van Dokter Zjivago. Ook waren er de ‘Serapion Broeders’, een gezelschap schrijvers, waaronder Zamjatin, die bleven hameren op het recht onafhankelijk te kunnen schrijven. Uiteraard bracht hen dit in conflict met de autoriteiten.
In de sovjettijd maakten de emigrantenschrijvers, zoals de dichters Georgij Ivanov, Georgij Adamov en Vladislav Chodasevitsj, en schrijvers als Ivan Boenin, Gaito Gazdanov, Mark Aldanov en Vladimir Nabokov, furore in het buitenland. In Rusland bestond er echter bijvoorbeeld voor de grote Nobelprijswinnaar Aleksandr Solzjenitsyn geen mogelijkheid om zijn werk over de Goelag-kampen te laten verschijnen. Pas na het communistische tijdperk zou dit mogelijk zijn. Toch ontstond er zelfs tijdens de Sovjet-Unie op een gegeven moment enige tolerantie voor afwijkende schrijvers. In het bijzonder gold dit voor de ‘dooi’ tijdens Chroestsjov (Хрущёвская о́ттепель). Enige werken van Boelgakov, Solzjenitsyn en Varlam Sjalamov werden in de zestiger jaren van de twintigste eeuw gepubliceerd. Poëzie werd een massaal cultureel fenomeen; Jevgeni Jevtoesjenko, Andrej Voznesenski, Robert Rozjdestvenski en Bella Achmadoelina presteerden het om volle zalen te trekken als zij hun gedichten voordroegen. Helaas duurde de ‘dooi’ niet lang en in de zeventiger jaren, onder Brezjnev, werden schrijvers weer volop vervolgd en veroordeeld voor “Anti-Sovjet sentiment” of simpelweg “parasitisme”. Solzjenitsyn werd verbannen en verschillende leiders van de jongere generatie moesten naar de Verenigde Staten emigreren, zoals Joseph Brodsky, Eduard Limonov en Sasja Sokolov. Anderen zoals Venedikt Jerofejev zochten een tragische vlucht in de drank. Zij bleven gelukkig wel bekend in de Sovjet-Unie door de samizdat, eigen illegale drukkerijtjes, waar verboden werk toch werd afgedrukt. In de Sovjet-Unie werd overigens wel op grote schaal Science fiction geproduceerd. Dit hing mogelijk samen met het Russische pionierswerk in de ruimte. Enige namen van S/F-schrijvers zijn Aleksander Beljajev, Aleksej Konstantinovitsj Tolstoj, Aleksandr Kazantsev, de broers Arkadi en Boris Stroegatski en Vladimir Obroetsjev.
Het einde van de 20ste eeuw was een moeilijke periode voor de Russische literatuur. Bekende namen uit de Russische literatuur van na de omwenteling zijn Boris Akoenin (misdaadromans), Sergej Loekjanenko, Vladimir Makanin, Andrej Koerkov en Viktor Pelevin. Een relatief nieuwe trend in de Russische literatuur is dat vrouwelijke novelle-schrijvers, zoals Tatjana Tolstaja, Anya Oelinich, Loedmila Oelitskaja, sterk naar voren treden.